Pastor Piet

"Hier staat u.”

Je kent dat zinnetje vast wel: aan de rand van de bebouwde kom van veel plaatsen staat een informatiebord om je weg te vinden; om je te helpen bij je oriëntatie staat er dan ergens een grote stip of pijl met die woorden 'Hier staat u'. Wel, aan dat zinnetje dacht ik bij het schrijven van onderstaande stukjes, die bedoeld zijn als een hulp je te oriënteren. Het betreft enkele vragen die me de afgelopen tijd zijn gesteld en waarvan ik de antwoorden zodoende op een rijtje zet. In willekeurige volgorde.



1. Drie formulieren van enigheid.


Gekscherend werden deze formulieren wel eens de formulieren van ONenigheid genoemd, omdat ze vaak een bron van discussies werden met hete hoofden en koude harten. Om die reden krijgen mensen vaak een naar gevoel als het over deze formulieren gaat en is met het badwater vaak ook het kind weggegooid: 'Daar willen we niets mee te maken hebben. Nee, dan toch maar liever net als in de tijd van de Reformatie: alleen de Schrift, sola Scriptura en verder niets. Wat kunnen we vandaag nog met die formulieren?' Een korte uitleg.

Toen ik het predikantschap aanvaardde deed ik dat door in te stemmen met de leer van de kerk, samengevat in de drie formulieren van enigheid. Ik heb van harte mijn handtekening onder deze verklaring gezet en heb dat dus ook heel bewust gedaan. Eerst even: wat zijn deze formulieren eigenlijk?

Onze kerken kennen drie algemene en drie bijzondere belijdenissen. De drie algemene die wereldwijd bekend zijn, zijn de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea en de Geloofsbelijdenis van Athanasius. Vooral de eerste, het Apostolicum of Credo, is ons goed bekend en die horen we bijna elke zondag. Dan zijn er nog drie bijzondere belijdenissen, die in een beperkter gebied zeggingskracht hebben, nl. de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Met deze laatste drie bedoelen we de drie formulieren van enigheid, afgekort DFE. Van deze drie is ook de eerste, de catechismus, ons het meest bekend.

Wie de geschiedenis een beetje kent, weet dat deze belijdenissen niet nieuw zijn. We hebben het over de 16e eeuw. Wat kunnen we met geschriften uit die tijd? Die zijn toch achterhaald en we zijn vandaag de dag toch wel verder gekomen met onze inzichten?

Dat is inderdaad waar. Deze geschriften zijn tijd- en cultuurgebonden. Om maar eens een voorbeeld te noemen: de Heidelbergse Catechismus besteedt veel aandacht aan doop en avondmaal en dat was in de tijd van de Reformatie ook nodig. Maar de aandacht voor de heilige Geest is minimaal (Zondag 20); dat zouden we vandaag toch wel anders doen en we zouden hele hoofdstukken kunnen schrijven over de vrucht van de Geest en de gaven van de Geest en noem maar op. En Zondag 17, nog vreemder: de kern van het christelijk geloof, de opstanding van Christus, in één zondagje samengevat! Tijd- en cultuurgebonden dus. Maar waarin deze geschriften niet tijd- en cultuurgebonden zijn is de liefde voor Gods Woord en de wil om de Bijbel recht te doen als de openbaring van de levende God. Daarom formuleerde Herman Dooyeweerd ooit: “We erkennen de Bijbel als de heilige Schrift, in de zin van de drie formulieren van enigheid beleden als Gods Woord.” Kijk, dat is het. Zoals onze voorouders pal wilden staan voor het bewaren van Gods Woord, zo willen wij dat ook. De uitleg toen is anders dan de uitleg nu. Maar de bedoeling, de zin, is vandaag dezelfde. In die lijn willen we staan, in de lijn van onze voorouders. Ook zij hadden de heilige Geest en ook zij hebben als gebrekkige mensen geprobeerd de waarheid van Gods openbaring veilig te stellen tegen alle mogelijke afdwalingen. In die lijn willen we staan en verder gaan. Met andere accenten dan toen, maar met precies dezelfde intentie.



2. De doop.

Zoals we eerder al zagen wordt er in de belijdenisgeschriften veel aandacht besteed aan de doop. Dat was wel nodig ook, want op dit gebied waren veel misverstanden en dwalingen. Er is maar één doop, nl. in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Wie gelovig is geworden, ondergaat (mooi woord!) de doop: hij of zij wordt ondergedompeld in het water als teken van het mèt Christus begraven worden in zijn dood en mèt hem opstaan tot een nieuw leven.

In onze gemeente kennen we niet alleen deze doop na bekering, laten we die noemen de geloofsdoop, maar ook de doop van kinderen van gelovige ouders, die we dan de naam verbondsdoop geven. Hoogstwaarschijnlijk kwam deze kinderdoop al in de tijd van de apostelen voor en is tot op de dag van vandaag door de kerk als een kostbare parel bewaard gebleven. Zoals het is met de DFE, zo is het ook met de kinderdoop: we geloven dat onze voorouders, geleid door de heilige Geest, deze doop als een kostbaar geschenk bewaard hebben en overgedragen hebben aan volgende generaties.

De groei gedurende de laatste decennia van evangelische kerken en groepen, die over het algemeen minder geworteld zijn in een lange geschiedenis, heeft ertoe geleid dat de kinderdoop in diskrediet raakte. Aan de hand van enkele bijbelteksten, waaronder vooral Marcus 16,16, wordt aannemelijk gemaakt dat de kinderdoop niet bijbels is. Dat is een probleem, omdat we in de bijbel geen duidelijke uitleg aantreffen over de kinderdoop. De cultuur van zowel het Oude als het Nieuwe Testament echter geven voldoende aanleiding te veronderstellen dat de kinderen altijd inclusief waren in de gezinnen. Datzelfde geldt de vrouwen, die meestal niet apart genoemd worden, maar in de man wel degelijk aanwezig zijn.

Een belangrijker argument om de kinderdoop hoog te houden is echter het wezen van het verbond in de bijbel, zowel in OT als in NT. Steeds weer blijkt dat het verbond éénzijdig is in zijn ontstaan en tweezijdig in zijn uitwerking. God belooft eerst aan Abraham, betoont zich eerst de trouwe verbondspartner en maakt daarna pas afspraken waar ook de andere partij in het verbond zich aan moet houden. Precies dezelfde lijn zien we in het nieuwe verbond: God geeft zijn Zoon – en daarna volgt: opdat een ieder die gelooft eeuwig leven heeft. Juist dit aspect komt bij de kinderdoop zo duidelijk tot uiting: een kind dat nog niets weet en beseft krijgt al het teken en zegel van Gods verbond, tot grote blijdschap van de ouders, die zodoende weten mogen dat ook hun kind betrokken wordt in Gods verbond, zonder enige verdienste, uit genade.

We kennen dus twee vormen van de ene doop: de verbondsdoop en de geloofsdoop. Wie eenmaal de geloofsdoop heeft ondergaan mag er zeker van zijn dat zijn of haar kinderen ook in dat verbond met God zijn opgenomen. En wie eenmaal de verbondsdoop heeft ondergaan, mag er evenzeer zeker van zijn dat zijn of haar kinderen in dat verbond met God zijn opgenomen. Omgekeerd hoeft iemand die de verbondsdoop heeft ondergaan de geloofsdoop niet óók nog eens te ondergaan. Dat zou namelijk betekenen dat je het initiatief dat God nam Hem uit handen wilt nemen en tot een eigen initiatief wilt maken. Daarmee ga je dan ook voorbij aan dat typische kenmerk van het verbond dat God met mensen sluit: eenzijdig in zijn ontstaan en tweezijdig in zijn uitwerking.

De verwarring die door deze beide vormen van de doop is ontstaan, is begrijpelijk. In het Nieuwe Testament komen we immers herhaaldelijk tegen dat volwassenen tot bekering komen en dan gedoopt worden. Die doop, in de ware zin van het woord ondergaan door onderdompeling, markeerde dan als teken het begin van een nieuw leven in Christus en gaf de dopeling dan ook een ervaring van gewassen en gereinigd te zijn.

Het is ook begrijpelijk dat wie als kind gedoopt is kan verlangen naar zo'n ervaring. Vooral als je later tot een bewust geloof komt, verlang je er naar om de stap die God naar jou toe gezet heeft te beantwoorden en een stap in zijn richting te zetten. Die ervaring kunnen we niet éénmaal, maar vele malen ondergaan door deel te nemen aan de maaltijd van de Heer, het avondmaal. De doop is éénmalig, het avondmaal 'veelmalig'.

Om het punt te markeren dat een kind zelf tot een bewust geloof komt, heeft de kerk in het verleden 'het doen van openbare belijdenis van het geloof' ingesteld: in de verbondsdoop werd duidelijk dat God het initiatief nam, in het doen van belijdenis werd duidelijk dat Gods kind zich dat initiatief toe-eigent. En zoals de doop bediend wordt in het midden van de gemeente, zo is ook het antwoord op die doop openbaar in het midden van de gemeente.


3. Doop en avondmaal.

Doop en avondmaal zijn beide tekens die horen bij het verbond dat God met mensen sluit. Het zijn tekens, maar tegelijk ook zegels. Dat wil zeggen dat we beide mogen zien als een extra verzekering die God ons op zijn woord geeft.

In de kerken zijn in de loop van de eeuwen misverstanden ontstaan over de samenhang tussen de doop en het doen van openbare geloofsbelijdenis. Deze samenhang blijkt uit bovenstaande: God geeft zijn belofte in de doop en de mens antwoordt daarop door het doen van belijdenis. Maar men heeft ten onrechte een verband gelegd tussen belijdenis doen en avondmaal, alsof alleen diegene tot het avondmaal toegelaten kan worden die belijdenis van zijn of haar geloof afgelegd heeft. Dat ging zelfs zo ver dat er in bepaalde formulieren werd opgenomen dat 'men gerechtigd moet zijn deel te nemen aan de maaltijd des Heren.' Hierin is de kerk afgeweken van de Bijbelse lijn, die immers doop en avondmaal als tekens van het verbond doet zien, waarin het initiatief helemaal bij God zelf ligt. Belijdenis doen om toegang tot het avondmaal te krijgen is dan ook on-Bijbels. Zoals kinderen, zonder het zelf te beseffen, gedoopt worden, zo mogen kinderen ook, zonder het nog helemaal te beseffen, door de ouders meegenomen worden naar het avondmaal, zodat ze leren de tekens te begrijpen.

4. Bijbelvertaling

Welke bijbelvertaling kun je het best gebruiken?

Het antwoord op deze vraag hangt af van het doel waarvoor je een vertaling wilt gebruiken. Wil je snel en gemakkelijk lezen om bijvoorbeeld de rode draad van de bijbelse geschiedenis te pakken te krijgen, dan kun je een vertaling kiezen die je het best ligt, bijvoorbeeld Het Boek of Groot Nieuws.

In de meeste kerken wordt tegenwoordig de Nieuwe BijbelVertaling uit 2004 gebruikt. Dat is een vertaling uit de grondtekst die 'brontekstgetrouw en doeltaalgericht' is. Die vertaling is goed te lezen voor jong en oud. Maar voor bijbelstudie is die minder geschikt. Professor Ouweneel noemde deze vertaling eens 'de kinderbijbel voor grote mensen'.

Voor bijbelstudie is het beter gebruik te maken van de Statenvertaling, tegenwoordig de Herziene StatenVertaling uit 2010, de vertaling van het NBG uit 1951, of de Willibrordvertaling uit 1995. Deze vertalingen blijven het dichtst bij de oorspronkelijke tekst, de grondtekst. Ik wil dit aan de hand van een voorbeeld verduidelijken.

In het verhaal over de opwekking van de jongeling in Naïn in Lukas 7 lezen we vers 13: 'Toen de Heer haar zag, werd hij door medelijden bewogen en zei tegen haar:'Weeklaag niet meer.' (NBV) Nu lijkt het een kleinigheidje, maar in de grondtekst staat daar drie keer het woordje 'haar'. De bovengenoemde vertalingen die dicht bij de grondtekst blijven, vertalen dit woordje dan ook drie keer. En wie nauwkeuriger studie van zo'n vers wil maken, ziet dan ineens dat woordje 'haar' oplichten. Het ging Jezus om haar en nergens anders om. In de NBG-vertaling lezen we: 'En toen de Here haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij zeide tot haar: Ween niet.' Het helpt ons dus vertalingen met elkaar te vergelijken.